113
een teeder gevoel tegenover alle schepselen Gods. Zoo schrijft onze godsdienst ons voor:
Onze dieren in de Sabbathrust te doen deelen.
Vóór het begin van iederen maaltijd eerst onze huisdieren te verzorgen.
Een dier van den zwaren last, waaronder het zucht, te ontladen.
Een dier, dat bij planten of vruchten arbeidt, daarbij niet te muilbanden.
Alle onnoodige smart bij de dieren te voorkomen, of, indien eenmaal aanwezig, te genezen of te ver-zachten (□,צער בעלי הי).
Vruchtboomen, ja, in het algemeen, alle voorwerpen, gereedschappen, spijzen, dranken enz., indien ook nog zoo gering, niet onnoodig te vernietigen en dus het gebruik of genot, dat eenig schepsel, al ware het ook slechts een dier, daarvan hebben kan, onmogelijk te maken (לא תשחית).
Andere geboden omtrent dieren en planten, waarvan ons de grond niet met zekerheid bekend is, en die wij dus als voor ons ondoorgrondelijke voorschriften der Goddelijke Alwijsheid hebben na te komen, zijn:
Geen dier van het ons ten gebruike geoorloofde vee mag met zijn jong op denzelfden dag geslacht worden; d. w. z. als het eene geslacht is, moet eerst op nieuw de nacht ingevallen zijn, alvorens het andere, waai of door wien ook, geslacht mag worden (אתו ואת בנו).
Wag. III, 8