59
Is de voorlezer zelf een !׳כיה dan neemt hij aan de plechtigheid volstrekt geen deel, maar blijft rustig en zwijgend staan, terwijl een ander den ביהניט voorgaat. Is hij echter de eenige aanwezige ׳כיהן dan moet hij de zegening verrichten.
De zegen moet door de priesters in plechtige aan• dacht uitgesproken en door de gemeente op dezelfde wijze aangehoord worden. Ieder woord, wenk of blik, waardoor de aandacht kan gestoord worden, moet men daarbij streng vermijden.
De gevallen, waarin de priester niet tot de zege• ning wordt toegelaten, als: ten gevolge van enkele zwart; zonden, wegens zekere lichaamsgebreken, wegens het aangaan van, of het ontsproten zijn uit een voor een en priest er ongeoorloofd huwelijk of wegens rouw om overleden verwanten, moeten steeds vooraf aan het oordeel van bevoegden onder-worpen worden.
De priesterzegen mag volstrekt niet beschouwd worden als eene handeling, waardoor de priesters zelf eenigen invloed op de lotgevallen der gemeenteleden kunnen oefenen. Deze opvatting ware geheel in strijd met de begrippen van ons geloof. God alleen is het, die den zegen schenkt, en dien zegen wenschen de priesters de gemeente toe. Dit ligt duidelijk in de woorden van den zegen opgesloten, en is klaarblijkelijk ook de zin van Num. 6, 27,
.ושימו את שמי.על בני ישראל ואני אברכם