37
wij er genot van smaken, zijn wij verplicht, vooraf de daarbij behoorende lofzegging uit te spreen.
3. Datgene, waarover de lofzegging uitgesproken wordt, moet echter door ons eerst ter hand genomen of ten minste voor ons aanwezig zijn.
4. Tusschen het uitspreken der lofzegging en het gebruik van de spijs of den drank mag niets gesproken worden, wat niet voor de zaak zelve hoogst noodzakelijk is. Is dit wel geschied, dan moet de lofzegging herhaald worden.
5. Regel 3 en 4 gelden evenzeer bij de ברכוה ׳המצוירת zooals de lofzeggingen over ׳הפלין ׳ציצה י־1ולכ ׳סכה ׳שופר enz.
T T ־-. T
6. Bij eenen maaltijd, waarbij men vooraf over het brood de ברכה המוציא heeft uitgesproken, worden over de spijzen en dranken, die verder op tafel komen, geene ברכוה meer gezegd, behalve
T :
over wijn en over vruchten, welke laatste niet als eigenlijk bestanddeel van den maaltyd beschouwd worden.
7. Bij twijfel of men eenige lofzegging wel heeft uitgesproken, behoeft deze in het algemeen niet׳ herhaald te worden, behalve bij על ׳ברכה המזון על העץ ׳המרדה en על הגפן.
8. De dankzegging na eenig genot (ברכה אחי״ונה)
T ־ 5־ TT:
wordt eerst uitgesproken, wanneer men van eenige spijs minstens een olijf groot genoten heeft of van eenigen drank zooveel als in omvang gelijk staat