29
voor de Thora te verschijnen, is: ישראל“1 ׳לוי ׳כיהן en dan geen כיהן of לוי weder, tenzij voor “מפטיר of op Sabbath-morgen voor of מפטיר־־•
Natuurlijk bestaan er echter voorschriften voor de verschillende gevallen, waarin het niet mogelijk is, deze volgorde stipt te handhaven.
Wie voor de Thora geroepen wordt, begeeft zich van zijne plaats langs den kortsten weg daarhenen, let eerst op de plaats in de H. S., waar men hem zal beginnen voor te lezen en die hem door den voorlezer getoond wordt, spreekt dan — terwijl hij de oogen sluit of van het ספר ר־[1רד־ן afwendt — de gebruikelijke lofzegging uit, leest daarop zeer zacht met den voorlezer mede en spreekt na afloop der lezing de gebruikelijke slotlofzegging uit. Alsdan blijft hij op de Biema staan totdat ook degene, die na hem voor de Thora verschijnt, de slotlofzegging heeft uitgesproken en begeeft zich dan naar zijne plaats langs den tegengestelden weg van dien, langs welken bij gekomen was.
Bij het voorlezen uit de Thora moet op ied.r woord, letter, klank en toonteeken nauwkeurig gelet worden. Woorden, die onjuist geleden rijn, moeten zooveel mogelijk op juiste wijze herhaald worden. Geheel verplichtend is deze herhaling, wanneer eene zinstorende fout gelezen is.
Ook mogen in het n D׳ waaruit voorgelezen wordt, geene fouten voorkomen. Wanneer dit het geval