GEBED TE WAALWIJK.
O Christus met Uw zacht gelaat, Marye, die daarneven staat,
Wil U tot ons bezinnen.
Gij, die den hemel overziet,
Van daar Uw milde oogen biedt, Zie onze wereld binnen;
Verhef Uw eens gehoorde stem, En Uwe hand, en ga tot hem, Den meester in de zalen,
Die over onze dagen wikt,
Die over onzen nacht beschikt, Van Wien wij arbeid halen.
Zeg hem het klein betaalde loon, De dagen lang, de korte woon, De altijd vochte muren,
De krankheid en het kinderbed, Het schamel lichtje, neergezet Om op het leer te turen,