NAWOORD
Van de weck heb ’k wéér iets prettigs beleefd.
Te Rotterdam. Met ’n zooveelste nieuw stuk, dat evenals de twee dozijn vroeger-opgevoerde, en bijna op dezelfde wijze, kelderde.
Bij het 'r over nababbelen zij op den voorgrond gesteld, dat je jezelf aarzelend afvraagt, of *t nut kan hebben 'r op te reageeren — 'k bedoel op de houding van publiek, pers, medestrijders — of je niet wijzer doet ’n straatje om te loopen en ergens op 'n stoeprand naar den hemel te lodder-kijken —* of je de lezers niet verveelt met ik-avonturen, enz. — maar juist, omdat je zoo rustig kan spreken van uit ’n blijmoedig, niet te zeer met zichzelf ingenomen zieltje — ’r geen op z’n ijdelheids-teentjes getrapt addertje onder wel-gekuifd gras schuilt ’t om den auteur dezer regelen, van af ’t begin tot z'n laatste stuk, ’n cancan van vriendelijke welwillendheid, intelligent begrijpen, hoffelijk respekt was en zal blijven — en we 'r tenslotte zijn om mekaar door geestelijke wisselwerking te bereiken, wordt de maagdelijke schroom overwonnen.
Aprèsnous le déluge de hernieuwde lasterpraatjes, de zure wraakneminkjes en aanvalletjes van uit ’t kuische donker.
Wat is dit land, dit in-alles-gebenedijd Liliputterland, met z'n buren en overburen, z'n gazonnetjes, nooit uit den plooi rakende gordijntjes, kerkgangetjes, riooltjes wat is dit 'n aanbiddelijk land, 'n geestelijk-rijk, kunstzinnig-voornaam, aan de baren ontwoekerd lommerrijk zitje —■ hoe leef je 'r je dartelste fantasie uit — hoe....
Doch 'k ben deze Aanteekeningen niet begonnen, om mezelf in 't te brokkelig net van Lyrische ontboezeminkjes en glibberige gevoeligheidjes te verwarren. En verstar ter zake. Gelijk 'n accountant, die bij 't kontroleeren der enkelvoudige of dubbele boekhouding in ’n modern Koopmanskantoor, geen overmate van aandacht voor 't tortelen
88