worden is. Ik zeg je vooruit, dat al ben jij nog zoo los van de kerk geraakt, zij en je kinderen.... (deharmonica speelt)
Simon. Daarover is ’t niet. ’k Heb je wat ernstigs te zeggen.
Moeke. Goed, jongen.
Simon. Zij mag hier niet meer komen.
Moeke. Mag zij niet.... ? (zij blijft onbewegelijk)
Simon. ’t Mag, 't kan niet meer. Ik wil ’t niet. Ik zou gek worden bij de gedachte....
Moeke. Gek wórden?.... Gek wórden?.... Bij God,je ben ’t al!
Simon. Val niet zoo hard uit, moeder, en praat niet dadelijk met zooveel vijandschap in je stem. Ik krijg bij Meta ’n kind. ’k Durf ’t niet hardop te zeggen, ’k heb niet den moed ’t te fluisteren. Ik krijg ’n kind — ik word vader, ’t Mocht niet — ’t mocht niet, zoowaar God —
zoowaar de Lieve Heer Maar nou ’t gebeurt----
Vraag ze op te houden met die muziek.... (zij gaat in de tapperij. Hij neemt ’t crucifix in de hand, betast het, zet het weer neer als ze terugkeert) Moeder, ik zweer je bij onzen Heiland, dat mijn vrouw — dat moet ik nou wel zeggen — dat mijn vrouw hier niet langer zal ademen.... dat mijn kind, als ’t gezond ter wereld komt, hier nooit en nooit.... En ik....
Moeke. En jij?....
Simon. Ik denk nog niet an mezelf — ik durf nog niet an mezelf te denken.
Moeke. Durf jij wel an je moeder te denken?
Simon. Ook dat niet. Maar ’t nieuwe kleine leven gaat voor, gaat boven alles----
Moeke, (zit wanhopig bij ’t raam) Ik word wel erg gestraft — ik kan me haast geen moeder denken, zoo zwaar
80