Meta. Ik ben zoo zalig-blij....
Simon. Stil. Stil. ’k Wou even de stilte, de stilte, (hij staat op. loopt om de tafel heen. Eenig rumoer in de tapperij. Hij opent het venster, schreeuwt er, als een man, die ’n groote vreugde heeft mee te deelen, door).... ’k Heb daarstraks al verzocht niet zoo’n herrie te maken. Dat verdraag ik niet. Dat verdragen wij niet! (sluit het venster, staat even wezenloos, rilt, zet zich traag op zijn stoel.) Je heb me iets fitten vertellen, Mee, iets.... (glimlacht — bewrijft z’n bril, laat hem vallen) Dus jij en ik?
Meta. Jij en ik-----
Simon. Zeg ’t nog eens. Nee, zeg niks, niks. Je hand. Dank je. Ik vraag mezelf alleen af waarom je dat zoo lang voor mij.... Of ik dat niet had móéten weten — ik ik -—- ik in de eerste plaats.... ik, zonder ’n uur verloren te laten gaan.... Nee, nee, niks zeggen. Dit zijn jouw vingers, niet?
Meta. Of.... dit mijn vingers?
Simon. Nee, laat me begaan, al doe 'k nóg zoo mal, zoo kinderachtig, zoo vreemd. Jij ben 'n vrouw *—• jij, die ’r al an gewoon ben, die ’t weken en weken weet, zegt me of je ’n nieuwtje vertelt 1 nee, dat bedoel ’k niet.... jij ben zenuwachtig, ik ben zenuwachtig —’kheb ’r tijd voor noodig, om ’t te laten bezinken.... (kust haar hand) O, lieve God, wat is ’t angstig de vingertoppen te kussen van ’n vrouw, die ’n kind onder 'r hart draagt.... Daar moet ’k aan wennen, Mee, en jij moet maar net doen of ’k vandaag, enkel vandaag weer zoo’n klein beetje hulpbehoevend ben. (zoekt waar-ie z’n zakdoek gelaten heeft) Je zakdoek, Mee. ’k Vind den mijne niet. (zij bukt, raapt den zijne op) Dank je. (Snikt het jammerend uit)
Meta. Simon....
Simon. Had 't me niet verteld! Waarom most ’t juist
nóu. Ik verdraag die tranen in m’n oogen niet Ik kan
niet tegen die beeste-pijn----
76