TWEEDE BEDRIJF, ACHTSTE TOONEEL 69
voorkeur niemand 'n vergissing. . . . (bij gebaar van interruptie — vinniger) . . . .'n ergerlijk-domme vergissing dan!
Naphtalie:
. . . .Toen u bij moeder leende. . . .
M a t h ij s (schamper) :
. . . .Ah! .... Op die verwijten wachtte 'k!
Naphtaie (driftig) :
... .Ik dénk aan geen verwijten, meneer — dat zou 'n lafheid zijn! — 'k wou juist zeggen, dat toen u bij moeder leende, ik, ik, met hart en ziel voorspraak was, om de paar ongelukkige spaar-duiten, die ons niet armer maken en u niet uit de zorg hielpen, van de Rijkspostspaarbank te halen!
. . . .Nee, nou we eenmaal ernstig geworden zijn — laten we nu ernstig blijven. . . .
M a t h ij s:
. . . .Zal me buitengewoon moeilijk vallen, Napje! Naphtalie:
Ik heb u al die maanden van tegenslag om uw prachtig humeur bewonderd — 't was telkens *n verkwikking voor me hier te komen — 'k heb in m'n jeugd — m'n jeugd godbeter — met 'n vader die dronk en 'n zusje met epileptische toevallen en zelden heelemaal helder van hoofd — niet té veel vroolijkheid om me heen gehoord — maar — maar — op 't moment is 't geen prachtig humeur meer, montert u niet meer op, maakt u integendeel, integendeel. . . .
M a th ij s:
.... Integendeel zei Ibsen op z'n sterfbed....