VIERDE BEDRIJF, DERTIENDE TOONEEL I 67
Moeder:
Je liegt! .... Je liegt! .... Mot je in de gevangenis raken! .... D'r waren twee getuigen!
Nap h t al ie:
. . Ik heb je toch zién uitglijjen, Son — heb je toch opgeholpen!....
S o n j a:
... .Ja. Dat heb je. D'r kan ook niemand beweren dat ik, dat ik, hè? ... . Niet? ....
Mathijs (naat den erker):
.... Geef me je hand, kind.
Son ja (onwezenlijk *t trapje af komend) :
Ja, vadertje.
Mathijs (haar hoofd in zn handen nemend en haar op 't voorhoofd kussend):
. . . Nou ben je weer heelemaal, heelemaal mijn dochter, mijn kind. . . . Stil jullie! .... Ik heb *r op gewacht, Son.... gewacht dat je 't zou biechten.... Ik ben in die paar dagen geen mensch geweest, omdat je niet durfde, omdat je met dat verschrikkelijk geheim alleen rondliep.... Nou kan niémand ons wat doen!
Moeder:
. . . .Dus — jij gelooft 'r?
M a t h ij s (verheugd) :
Ik geloof 'r. . . . Ik geloof 'r zooals 'k in
den Almachtige geloof. ... En 'k ben zoo blij dat 'k 't weet. . . . 'k Heb zoo'n achting voor 'r dat ze 't ons, ons heeft verteld, dat ze 'r moed terug heeft gekregen.
Moeder (fel):
... .Man, je helpt je kind in de gevangenis!