166 VIERDE BEDRIJF, DERTIENDE TOONEEL
'k 't zoo zéker In de winkel had 'k de lamp
nog kunnen grijpen .... (schreeuwerig) .... had 'k de lamp nog kunnen grijpen. ... maar 'k dacht. . . . 'k weet niet wat 'k dacht. . . . *t ging alles ineens, ineens, ineens. . . . (toonloos hard)
. . . .èn . . . .èn . . . . èn nou weten we
't allemaal, allemaal — nou hoef 'k me hand niet meer voor m’n hond te houen, om niet te schrééuwen, te schrééuwen, te schrééuwen.... (heeft ’t laatste uitgeschreeuwd) . . . . M'n hoofd was, domineetje, als, als, als 'n ketel op de kachel — of de deksel door — door de stoom op en neer ging — tik — tek —tik — tek. . . . (stilte) Wat zijn jullie akelig stil.... Wat laten jullie enkel die druppel antwoorden. . . . ?
D oortje:
... .As jij met moedwil.... O, O, O! ... .Dan
ben jij de schuld van me dochtertje! (smakt
met de armen op tafel).
Moeder:
Je mot 'r niet gelooven, Door. ... Je ben gek, mensch as je 'r gelooft!.... Ze dee daar straks al zoo krankzinnig!....
Sonja:
... .Ik heb — ik heb brand gesticht! Ik. Ik. Ikl Moeder:
Hou je mond!.... Ben je klaar met je onwijze praat! (snikt . . . .Is 'r al niet genoeg gebeurd door je vader en door jou! ....
Sonja:
Ik. Ik alléén!