VIERDE BEDRIJF, DERTIENDE TOONEEL 165
S o n j a (op de vingers tellend, in harden glimlach van herinneringen wakker te willen roepen): ... .Jij was — da’s een — jij was, domineetje, dien heelen dag met je stukkende schoenen in de sneeuw blijven loopen — en ik hou zoo van jou — jij had de rails niet gezien en je vertelde 't met tranen in je oogeen — en van jou kan 'k geen tranen hebben — en grootva, grootva had zoo angstig gesproken — da's da's, das (memovieloos) da's twee, niet ? . . . . Niet ?. . . .
Naphtalie ( woest) :
... .Bij alle heiligen, laat 'r ophouden! Ga de kamer uit, moeder!....
M a t h ij s:
. . . .Stilte!.... In Godsnaam ze móét, móét praten! „ . . . Verder, m'n kind!....
S on j a:
.... Dat was twee, niet ? . . . . Toen was Jensen op bezoek, domineetje — wou vóór twaalf uur bericht of jij bij hem als bediende — ik in de heeren-afdeeling — om m'n oogen — wou kommen. ... En die zei: ,,Pardon — pardon, niet met 'n brandende lamp, alsjeblief, asjeblief” — en die heeft óók vroeger brand gehad, niet? .... Niet ?. . . . Da's — da's drie.... En toen was moeke zoo — vróólijk — door de brandewijn en door.... en door.... En moeder d'r vróólijk-heid kon *k niet zien, niet zien.... En jij zei — jij zei — bij die wind — die vreeselijke wind buiten —: 'k wil één seconde de stilte
hooren.... de stilte voor 'n onweer”.... Dat zei jij, domineetje.... Dat is — dat is... . Nou ben 'k me tel kwijt.... ’k Was an me — an me vierde vinger toe, niet.... Vannacht in bed, wist