164 VIERDE BEDRIJF, DERTIENDE TOONEEL
M a t h ij s:
Stil, Anna! Val 'r niet in de rede! .... Wat heb je gedaan, Son, m'n kind?
S on j a:
. . . Ik heb — ik heb de lamp laten vallen. . . . N ap h t a 1 i e (heftig) :
. . . Dat weten we toch! Martel jezelf zoo niet! Ma thij s:
Jongen, val 'r niet in de rede, val 'r niet in de rede. . . . (extatisch) ... .Ze hééft iets te zeggen
— iets dat ze zeggen möèt, niewaar, Son m'n kind
— iets dat je niet voor jezelf wil houen. . . . iets dat je niet langer. . . .
S on j a:
.... Domineetje, domineetje.... (stokt bij binnentreden van Doortje) . . . .Nou kan 'k niet meer....
Mathijs:
. . . Nou móét je, móét je juist, kind! .... Als je *t ons, ons allemaal zegt, zeg je 't God....
S on j a:
Ja, ja. (wet glimlach) .... Ik had — dat moeten jullie gelooven — ik had de lamp nog kunnen grijpen, toen 'k uitglee — ik had 'r nog zóó kunnen grijpen. . . .en — en — toen dee 'k ’t niet....
Moeder:
. . . Laat je 't begaan met 'r krankzinnige praat? Mathijs:
. . . Stil!.... Stil!.... Da's zóó groot van 'r, zóó gróót — dat wij 'r niet bij mogen praten!.... Stil!.... (een stilte, enkel de waterdruppel kletst op de tafel).