IÓ2 VIERDE BEDRIJF, TWAALFDE TOONEEL
Twaalfde Tooneel DE VORIGEN, BEDIENDE Bediende:
Neem me niet kwalijk, da’k zoo vrij ben geweest door te loopen. . . . (reikt krans over) . . . .En wel de komplemente van meneer Jensen van hiernaast — en dat meneer erg met de juffrouw-van-boven begaan is... Voor de begrafenis. En meneer komt daar zelf ook nog. (af).
Dertiende Tooneel
MOEDER, SONJA, NAPHTALIE, MATHIJS, GROOTVA, later DOORTJE
S o n j a:
Motten we nou niet verder voor 't eten zorgen, moeke 1 ... .
Groot va (gejaagd):
... Ze kijken — ze kijken ons zoo na — ze gaan haast niet op zij... . Ze hebben Mathijs, Mathijs uitgescholden. . . . (klagerig) . . . .Voor brandstichter uitgescholden. . . Voor brandstichter!. . .
M a t h ij s (glimlachend) :
. . . .Ja, Naphtalicus, jongen — 't was toch beter geweest dat jij om 't brood was gegaan. ... Ze maken 'r 'n relletje van als ze iemand met 'n brood zien loopen.... 'k Had 't haast in de modder laten vallen....
Naphtalie:
Hebben ze ü uitgescholden ?... . U! . . . .
M a t h ij s (glimlachend) :
. . . . Ja. . . . En als 'r geen agent voor de deur