IÓO VIERDE BEDRIJF, TIENDE TOONEEL
herstellen kind verloren heeft, is 't onze plicht — van ons twee, Son — van mij èn van jou — om die open plaats.... (zij schudt klagend 't hoofd) .... Zeg je nee 1... . Nee ?... . Herinner je je onze éerste, éerste kussen — van dien avond — dien wanhopigen, maar toch ook gelukkigen avond, Son.... Ben ik niet zelf, zelf getuige van 't ontzettende geweest? Geef dan antwoord!
S o n j a (moeilijk) :
... .Ik kan niet — *k hou m'n handen met geweld voor m'n mond — om geen schrééuw te geven — en — en — die druppel die zoo'n rumoer maakt....
N a p h t a 1 ie:
. . Son! Son ja, wees niet zoo schrikkelijk overspannen .... Ik ben toch jouw bestaan naast je vadertje .... Je wordt toch m'n vrouw. ... (grijpt haar hand, kust die).
S o n j a (huiverend) :
. . . .Niet doen. . . . Niet doen. Jij mag, jij kan me nooit meer. . . . (koortsig) ... .Ik zal je wat vertellen — an jou — an jou alleen — maar dat mag je vadertje nóóit, nóóit oververtellen..... Durf, durf jij daar je vingers voor opsteken?
Naph t a 1 i e:
Ik steek nrn vingers voor niets op — je ben ziek, Son. ... Ik zal je moeder roepen. . . .
So n j a:
Nee!.... Niemand roepen!.... Ik heb. ... Ik heb.... (houdt zich in) .... Nee, dat dacht je
wel Dat heb je 'r misschien achter gezocht —
maar da's mis — mis! Daar zou — daar zou je je