154 VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL
M a t h ij s (zn hand op V mond leggend) :
. . . .Son, Sontje — waar de menschen op neerzien, wat de mènschen verdoemen, dat telt mééstal niet mee — en straf is zoo'n bijzaak tegenover schuld, schuld hierbinnen — heb ’k je zoo einde-loos-dikwijls, als we met z'n tweetjes zoo heerlijk en innig wandelden, herhaald en herhaald. . . . weet je nog, arm in arm, zooals nou. . . . 'n Gevallen vrouw is niet minderwaardig — 'n dief lang niet altijd 'n dief — 'n misdadiger hoef je niet — mag je niet mijden.... Elk mensch, zonder uitzondering, is góéd, góéd, Sontje .... 'r Worden geen slechte menschen geboren — nee, gemaakt, gemaakt .... Zoolang je je geweten hooger dan alles stelt, kan je ook bij 'n lijk — hoe leelijk 't 'r uitziet, blijmoedig verder gaan ... Hindert 't je weer? (verlegt de lap op tafel)
. . . .Zoo. Zoo. . . . Dien avond in de sneeuw bij die rails....
S on j a:
. . . .Heeft u toen?....
Mathij s:
Ja — even, heel even. Je ziet 'k biecht jou óók m'n — m'n gedachten. ... En soms, soms — met 'n glimlach — heb 'k gedacht: als, als 'r 'ns brand kwam — wat 'n uitkomst 't zijn zou.... En op de plaats, over m'n eerste schrik heen, dacht 'k, dacht 'k telkens aan de polis — de tienduizend gulden — de tienduizend. Zou jij op me neergezien hebben, Son — doe 'k je hand geen pijn? — als 'k géén rem over m'n wil had gehad ? . . . .
Son ja:
Ik op jou, vadertje!