VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL 153
S o n j a (met een schreeuw haar hand wegrukkend en die heftig wrijvend) :
. . . .Nee, nee, nee vadertje! .... Daar heeft 'r bed gestaan, daar is ze gestikt.... Daar heeft ze... . Daar heeft ze misschien geroepen, gegild. ... (hortend snikkend) ... .As je nou weet hoe me dat ’n zeer doet, dat spetten, dat tikken.... hoe ken je dan....
M at h ij s (een lap van *t bureau grijpend en op Jt zeil leggend) :
. . . .Zoo. Nou hoor ik ook niets meer (een stilte. Hij kijkt haar lang aan) . . . .Son, heb 'k gelijk gehad, vanmorgen, toen 'k zelf, zélf, die aanvraag om faillissement ondersteunde?
S o n j a:
Dat zal wel, vadertje — dat weet jij beter dan ik. M a t h ij s:
Judas bracht de dertig zilverlingen aan de priesters en ouderlingen — en uit wanhoop verhing-ie zich in 'n strop .... (smeekend) .... Sontje, m'n kind — je heb me zoo dikwijls gezegd hoeveel je van me houdt — als kind al — als kleutertje was ik je kameraad, had je *r plezier in je „dominee-tje” — je lachenden dominee, niet? — alles, de gekste, malste zondetjes te biechten — en 'r was niets, niets, niets — verzin maar, of „domineetje” had 'r 'n woord van vergiffenis voor. . . . Wanneer je iets — iets — hindert....
Son j a:
. . . Vadertje, wat zou me anders hinderen, dan wat u en moeder en de anderen hindert.... Ik heb toch alles an dien meneer van de rechtbank gezegd .... Ik durf 'r 'n eed op doen, natuurlijk — 'n eed dat 'k. . . .