152 VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL
dolle hond bijt — als, als 'n brandende lamp valt. . . . ? (neemt haar de schaal uit de hand, zet die op tafel, grijpt haar twee handen) . . . . ik w i 1 niet dat dat je drukken blijft.... Dien ellendigen avond vergeten we, vergeten we, Sontje, m'n kind — we willen onverwoestbaar blijven wat 'r ook gebeurt, wat 'r ook. . . .
S o n j a:
. . . Krijg geen tranen in je oogen, vadertje — in Gods-naam niet! .... Die ben ik niet meer waard. Die had je Zondagavond ook, toen je van dat wachten achter den sluitboom van de tram vertelde. ... Ik kan jou niet zien huilen! ....
M a t h ij s:
Ben jij — ben jij — heb 'k je goed verstaan? — ben jij mijn tranen niet meer waard? ....
S o n j a:
.... Dat heb ik niet gezegd....
M a t h ij s:
Dat heb je wel gezegd....
Son j a:
Ik weet niet wat ’k zeg. . . . M'n hand doet me zoo’n pijn.... 'k Heb, geloof 'k, koorts.... Dat druppen hamert in m'n hersens.... Ik ben ziek, ziek, ziek, vadertje. ...
M a t h ij s:
.... Als je dat zoo hindert. . . Daar. . . (vangt de druppels met zn hand op) ... Nou hoor je 't niet meer. ... Je mag en je moet niet aan die inbeeldingen toegeven. . . . Voel zelf. ... Is mijn lachebekje zóo ondersteboven dat ze... . (wil
zachtjes haar hand onder *t druppelen dwingen).