VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL 151
zijn,” riep je, toen 'k Zondagmorgen naar Krijns ging: „trekken we ons geen zorg an!” ... .Nou z ij n — we failliet — beginnen we de nieuwe tocht — heb 'k jouw lach weer noodig, nóódig, Son — en nou mis 'k iets an je — mis 'k iets....
S on j a (hijgend) :
. . . . 't Zal wel weer kommen, vader.... Mathijs:
Al die dagen ben je jezelf niet geweest....
S o n j a:
. . . .Hoe zou dat ook mogelijk zijn. . . . Hoe kunt ü zoo praten — hoe kan ü zoo praten ?. . . . Als 't niet met Margo gebeurd was, zou 'k — zou 'k. . . .
M ath ijs:
.... Zou je ?. . . . Zou je ? . . . .
Son j a:
.... Zou 'k. . . . (wijkt achteruit, omhoog starend, praat smartelijk angstig) Daar heeft 'r bed gestaan, waar telkens die druppel door 't plafond .... dat geluid op 't tafelzeil kan 'k niet hooren — niet hooren....
M a t h ij s:
Kom 'ns hier, kind Dichter bij me. . . . (zij
aarzelt naar de tafel toe) ... .Dat tobben over Margo moet 'r uit — (haar hand nemend) ...móét 'r uit! .... Ik wil niet, wil niet dat jou dat — dat — dat ongelukkige toeval voor je verder leven
blijft wegen (heftig) . . . Heeft Doortje 't je
verweten ? . Heeft Naphtalie één woord verwijt
gesproken ?... . Is iemand verantwoordelijk als 'n tros begeeft, als 'n paard op hol slaat, als — als 'n