150 VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL
M athijs:
. . . Heb je niet bij 't bed van je gestorven zusje gestaan ?
Son j a:
Die zag 'r zóó — zóó niet uit (stuipt in schrik). Mathijs:
Wat kijk je?... . Wat is 'r?
S o n j a:
Dat geluid — dat vreemde geluid.
M a t h ij s (opstaand bij de tafel) :
. . . /t Lekt van boven. . . . Water dat tusschen 't plafond. . . . Maakt je dat zoo angstig?
Son j a:
. . . .Angstig, néé. . . .
Mathijs:
. . . .Twee nachten, kind, ben je — door die strubbeling, dien zenuwtoestand — gaan slapen, zonder me goeie nacht te zoenen.....
Son j a:
... .Ik heb je gisteravond toch. . . .
M a t h ij s:
Nee.
Son j a:
Nee?.... Hé, daar zou 'k 'n eed op kunnen doen, vadertje!
Mathijs:
Doe 'r geen eed op — je zou je vergissen, (zij stapt tot aan deur) . . . .Weegt 't je zoo zwaar dat de Zon ons op heeft geslokt, met huid en haar? (zij beweegt niet) We wisten 't toch al voor maanden. . . .* ,»Zoolang we heerlijk gezond