VIERDE BEDRIJF, ZEVENDE TOONEEL 149
M a t h ij s:
Nee. Niémand. (zij gebaart aarzelend naar *t brood) . . . Ja, ga je gang maar. . . . We hebben mekaar ook feitelijk niets te zeggen, (staart naar kachel) Je hebt gehoord dat we failliet? (zij plonst voor hem op de knieën) . ,.Wa doe je?.. . Wat is dat? .... Huil je? (zij schudt het hoofd) .... Sta dan op. Ik ben geen, geen.... heilige — en — en de grond is in geen dagen gesopt....
Sonja (op, glimlacht):
.Nee daar heeft zelfs moeke niet aan gedacht.. . Zal 'k verder dekken?
M a t h ij s:
Da's goed. (zij gaat met brood tot deur) Son, m'n kind....
Sonja (schrikkend) :
Ja, vadertje....
M a t h ij s:
Heb je me niets. . . . ?
Sonja:
Neen, vadertje.... Wat zou 'k. . . . ?
M a t h ij s (zonder haar aan te zien) :
. ... 't Lijkt — 'r lijkt me 'n kink in den kabel gekomen . We zouen lachen zonder om te kijken — en we lachen niet meer — we zouen twee compagnons in de opgewektheid zijn — en we praten met mekaar zonder mekaar aan te kijken.... Heb jij nog nooit 'n brand gezien?
Sonja:
Ja — maar nog nooit 'n dóóie....