140 VIERDE BEDRIJF, DERDE TOONEEL
ik geen bijgedachten hebben, niet door de idee op-gemonterd worden, dat m'n voorraad radikaal uitverkocht is — behalve wat daar leit — en dat 'k ieder 't zijne kan geven....
Substituut (hem de hand reikend) :
. . . Op m'n woord — ik heb bijna behoefte u excuus te vragen voor 't pijnlijk onderhoud in mijn kabinet. . . .
M a t h ij s :
... Nee, doe u dat niet, meneer de substituut.... Ik ben zoo goed een misdadiger als ieder ander. Vooreergister — daar op 't plaatsje — vóór ik wist dat 't kind geen daglicht meer zien zou — heb 'k 'n oogenblik staan berekenen — staan berekenen .... Ja, Naphtalicus, jongen — dat hebben we misschien allemaal. ... (tot Sonja die *t uitsnikt) Nou, nou, domme meid! .... 't Heeft alles zoo moéten zijn....
Naph t al ie:
Zoo móéten zijn....
Stuifsand:
Ik zeg niks! ....
Substituut:
Bonjour, meneer De Sterke. . . .
M a t h ij s:
Bonjour, meneer. . . . Nee, laat me u voorgaan.... 't Zal de eerste dagen ’n nekbrekende toer blijven....
Substituut:
. . . . Heeren!.... Dag juffrouw. Beterschap met uw hand.... De linker kan 'k ook drukken.... (af met Mathijs en Schrijver).