134 VIERDE BEDRIJF, TWEEDE TOONEEL
Naphtalie:
. . . Dat kan 'k voor God getuigen. ... Ik als broer zou de laatste zijn, om ook maar één oogen-blik te aarzelen. . . .
Substituut (tot Stuifsand) :
. . . Dus u is dadelijk den winkel uitgeloopen?
Stuifsand:
. . . .Natuurlijk, 'k Had net nog tijd 't laddertje van me af te smijten, 't Was ineene 'n vlam as — as — 'n vlam van belang. . . .
Substituut:
.... En u vergat in uw schrik, dat 'r boven iemand sliep ?
Stuifsand:
. . . .Weet je veel, waar je op zoo'n oogenblik an denkt! Al had me eigen vrouw d’r gelegen, ha'k 'r nog niet an gedacht. . . .
Naphtalie:
... .En dat zou waarschijnlijk ook weinig geholpen hebben — moeder had den sleutel van 't bovenhuis — wij konden den winkel niet meer door. . . . We hebben zelf, op de plaats daar, moeten wachten tot ze ons over de schutting van ,,De Zon” hielpen — onze longen hebben we uitgeschreeuwd, zonder resultaat — ze moet door angst of schrik 'n epileptisch toeval gekregen hebben, de stumper, 't stakkertje, 't zielige ding. . . . (begint te schreien, bedwingt zich).
Substituut (opstaand) :
.... Is dat plaatsje daar ?. . . .
M at h ij s (deur der keuken openend) :
. . . .Jawel, meneer. Links in de keuken.