VIERDE BEDRIJF, TWEEDE TOONEEL 133
Abraham:
Ken 'k nog wat voor je doen, jongeheer?
M a t h ij s:
Nee. Niemand binnen laten. Niemand.
Abraham:
Zal 'r voor zorgen, (af).
Substituut:
Ik vroeg wie dat....
M a t h ij s:
M'n vrouw, m’n vader en (omhoog wijzend) ... .en de moeder. . . .
Substituut:
O jawel. . . . Dank u. . . . (Doottje toesprekend)
. ..Wil u even uw stoel omdraaien, juffrouw?.. . Ik heb niet de bedoeling 't u lastig te maken, nog eens lastig, maar. . . . (Doottje begint ktampach-tig te snikken) .... Kom juffrouw.... Dat is ’t zelfde antwoord van gister, toen u in m'n kabinet was. . . . (zij blijft snikken) . . . Goed, dan zal ik u nog met rust laten.... (tot Sonja) Gaat ü 'r bij zitten.. . Spijt me bijzonder dat 'k eenigs-zins als inquisiteur moet optreden.... Maar de wet wil 't, niet waar — en die ongelukkige samenloop van omstandigheden .... Dus hiér zat de familie Zondagavond ?. . . . En de heeren zijn bereid 'n verklaring onder eede af te leggen?....
Stuifsand:
. . . .We hebben daar in de winkel angewezen waar 't precies gebeurd is: hoe 't door binnengedragen sneeuw angekommen mot zijn — daar doe *k tien eejen op — de juffrouw liep vlak voor ons, waar of niet ?