DERDE BEDRIJF, VIERDE TOONEEL 109
J e n s e n:
... Ik sar niet, pardon.
S o n j a:
. . . Dan hoeft u zich niet voor 't opgewarmd eten van vader, die als 'n bedelaar in de sneeuw is blijven loopen, toen-ie dat bij Krijns hoorde, te interesseeren! U en u alleen heeft ons kapot gemaakt — je hoeft me niet in de rede te vallen, meneer! — we weten op 't moment precies wat we aan mekaar hebben! — u heeft ons als 'n spin in 't net langzaam, venijnig, zeker te pakken gekregen
— met de prijzen, met 'n reclame waartegen we niet op konden, met étalagekasten en licht, die óns goed oudbakken maakten, met 't aankoopen van de panden naast 't onze . . . . Moeder, die je getelefoneerd heeft, zou je misschien gesoebat hebben
— dat doen vader en ik niet. Ga je gang. We zullen 'r geen traan bij laten! Geen traan!
J e n s e n:
. . . .Hoe scherper u tekeer gaat, hoe aangenamer ’t me is. Da's tenminste 'n eerlijke ontvangst... De vorige keer, toen ik hier op denzelfden stoel zat, ben ik als clown behandeld geworden — pardon, twee woorden! — ik heb u ook laten uitspreken!
— als 'n August de domme met — met engros-bestellingen door de telefoon, toen 'k binnenkwam — ook als clown met 'n opmerkelijk-be-tooverde winkelschel en 'n winkel, die voortdurend kwart vol — kwart vol — de woorden van uw vader — kwart vol bleef — terwijl 'r geen schepsel door u geholpen werd... (zij lacht) ...Nu begrijpen we mekaar... Ik ben van alles hier op de hoogte, niet alleen van 't paperasje hier, maar van de andere moeilijkheidjes, waarvoor geen kruid is gewassen...
De Opgaande Zon 8