DERDE BEDRIJF, TWEEDE TOONEEL IOI
liet.... Dat ken 'k met me witte haren niet meer hebben.... Dat heb 'k al ééns zoo goddeloos-zwaar in me leven gehad — negen, tien jaar voor jij van de wereld wist — dat is niet om door te komen. . . .
Sonja:
. . . .We hoeven 't niet door te komen, grootva-dertje — je zit je om niets angstig te maken, hahaha! En zoolang je gezond ben. . . .
G r oot v a:
. . . Niet liegen, niet liegen — en niet lachen! . . . Hoe — staat 't met de zaak — de zaak van me — van me zoon Mathijs. . . . ?
Sonja:
. . . .Laten we nou over andere dingen praten — je ziet waarachtig wit.... Kop koffie ?
Groot va:
Dus — dus ik wor 'r buiten gehouen?
Sonja:
. . . Buiten wat?
Grootva:
.... Buiten alles ?. . . . Goed .... Goed. . . . Maar meemaken doe 'k 't geen twééde keer. . . . Nog is nagekeken te worden door de buurlui van den overkant, door de buurlui daar en daar — nog is in de kerk niet van je kerkboek durven opzien — nog is me vrinden verliezen — je houdt 'r niet één, as 't je overkomt — je wordt 'n schurftige hond.... — nee, nee — dat maken mijn ouwe handen niet nog is mee. . . .
Sonja:
. . . Ik — herken je vanavond niet, grootvader-