alsof we niet verteren van hitte, doch volkomen nuchter naast ons bed naar onszelf kijken, onszelf daarbij adviezen geven. Trek je been nu wat op. Scheef, nee, ik ga nu achter je liggen. Ga eens gebogen staan voor het bed. Variaties, die we zelf uitvinden. Toch, van hem heb ik al genoeg aan een kus. Het zijn de honderden tegenstrijdigheden, waarover ik, alléén, nadenk. Ik heb een onafhankelijke, oorspronkelijke, zeer zelfstandige jonge vrouw, heb ik voor mezelf vastgesteld. Toch dien ik deze man als een haremvrouw in bed. Ik heb een aborteur als de vrouw uit een harem. Als Eric mij zijn salaris geeft, neem ik alleen wat huishoudgeld en geef hem de rest terug, want ik heb ook mijn eigen salaris. Ik schaam mij, als hij mij geld geeft en kan dat niet zo goed voor mijzelf verklaren. Ik sta bij Hirsch en koop de duurste, zijden doorzichtige sekslokkertjes. Lang en doorschijnend. Ik loop ermee door het huis, alsof ik een gewone jurk aanheb, en zit tegenover hem in mijn leunstoel, hij kijkt ernaar, reageert schijnbaar niet. Tot ’s nachts. Een spelletje, dat wij graag opvoeren. Overdag lijd ik onder de huishouding. Ik lijd eronder. De trap, o, godzalmelazeren, het symbool van reinheid in het nederlandse huis. De trap met de loper, de overloper. Ik krijg geen hulp, er is geen hulp, ik moet zelf doen. Daarbij word ik er zo vervloekt moe, warm en zweterig van. Ik kan die lopers toch niet laten liggen, stof betekent parasieten, vlooien, god-weetwat. De treden moeten geboend, de gang er