We zijn verhuisd. Hebben een etage. Ik krijg grotere rollen en heb een hoger salaris. Het leven is rooskleurig, met zwarte spikkels, zoals bij lieve-heersbeestj es. De ‘open’ briefkaarten van zijn vrouw. Ze volgt ons ‘hinderlijk’ als ze ons tegenkomt. Het posten met de twee kinderen voor de deur. Mal is, dat je er bijna aan went. Hij grijpt mij bij mijn arm, rukt mij demonstratief langs haar heen. We wippen gauw in een tram als ze eraan komt. We hebben een ouderwets spionnetje aan de ramen, loeren erdoor bij elke bel, als een beluste burgerjuffrouw. Of ze het is. Binnen onze vier muren zijn wij vrije koningen. We zijn beiden verzot op lezen, ieder een fauteuil, met een leeslamp. Op vrije avonden zitten we stil tegenover elkaar, weggedoofd in onze boeken, ik maak iets lekkers, we doven verder. We houden van muziek. Avonden in het concertgebouw, de solist leeft voor ons in de cirkel van muzische glans. We zitten tegen elkaar aan, Eric en ik. Ademen tegen elkaar aan. Dan zijn er de nachten. We liggen uren te praten. Dan is er de daad van het lichaam. We hebben geen Kamasutra noch Het Volkomen Huwelijk nodig. We slaan geen blz. 28 op, ga liggen, dan zullen we het vannacht zó doen. Als het er is, het wederzijds verlangen, observeren wij onze lichamen op de reacties