mannen hebben wat lacherige gezichten, die vrouwen van het toneel, het zijn eigenaardige vogels, je weet niet helemaal hoe je ze benaderen moet, ze lijken zo wuft, ze doen af en toe vreemd hautain, ze zijn lacherig, aanhalig, maar je krijgt net zo makkelijk een lel ook, als je te vrijpostig bent. Hun vrouwen zitten erbij, sommige met ongeruste smoelen, andere weer met die typische, geheimzinnige lach van de snob: ik heb je door, kunstenaar, wij hebben over je gehoord, veel gehoord, ook gelezen, maar wij zijn vol begrip, wij zijn van het ruime soort, wij weten wat een kunstenaar toekomt. Jolante en ik zijn kleurige vogels, met onze toiletten van de laatste mode, onze uitdagende schoentjes met erin de ragfijne kous. Dan gaan we dansen, ik luister net naar de burgemeester, hij vertelt me iets verbazingwekkends, althans volgens hem, van het cultuurbeleid in Den Helder, en dan staat er iemand naast me en vraagt om een dans. Het is de acrobaat. Beteuterd sta ik op en kom uiteraard in zijn armen terecht. Over mijn gezicht voel ik zijn frisse, vreemde, rustige adem. Hij drukt me niet tegen zich aan en toch heeft onze dans iets van een coïtus. Ik reageer op de kleinste beweging en hij leidt me ademlicht. We gaan daarna in een hoekje zitten. Hij zegt, dat hij na de voorstelling nog even ‘uit’ wilde, net als Jolante en ik. Hij bestelt een drankje. Vertelt van zijn leven. In de winter ligt hij stil, maar in de zomer verdient hij op kermissen genoeg om zich dat te kunnen permitteren. Toch bevalt zijn leven hem niet. Hij