weging, ik wil decor ruiken en de wind van de changementen voelen.
De acrobaat, in een kostuum, dat fonkelt van honderden, kleine glasspiegeltjes rijdt het toneeltje op. Verdomme, wat een vent, reageer ik op zijn blikken, hij heeft me gezien, draaiwielt op het wieltje voor mij, is slank, soepel, voor mij. Ik kaats terug met mijn ogen, waarvan ze zeggen, dat ze als barnsteen lichten. Ik laat me gaan, wat kan me gebeuren, straks ga ik terug naar het Casino, morgenochtend, zijn wij vertrokken. Is hij vertrokken. Het is een spelletje, meer niet, het windt wel lekker op, de vrouw is in mij voorgoed wakker sinds de eerste nacht met Eric. Ik ontleed de mogelijkheden met die wielende man op het toneel, hoe zal hij zijn in bed, het is mijn soort, hij heeft voor mij ‘it’, wat niet te kweken is, wat het begin is en het einde. De drift heeft me te pakken, heeft hem te pakken. Ik laat me gaan, kijk terug, lach met mijn ogen, streel met mijn ogen. Er kan me niets gebeuren, straks zit ik weer in de kleedkamer, kleed me voor het laatste bedrijf. Toch maakt dit alles een enorme indruk op me, de clown met zijn rooie bolneus, armoedig tinkelend op de zeurderige piano, het beverige voetlicht, waarvan de lampen af en toe uitslaan, de harde bank, waarop mijn billen revolteren, het wapperen van het tentzeil naast de nooduitgang. Ik kijk terug, in zijn ogen, hij zwenkt over het toneel in een vaardig rondje. Dan is het uit, er is applaus, hij buigt, glimlacht nadrukkelijk tegen mij, ik lach terug, met