In de kleedkamer van de schouwburg in Den Helder, zit ik naast Jolante. Wij spreken met elkaar, terwijl onze geschminkte ogen elkaar in de spiegel ontmoeten. Ik mag met haar kleden, dit wordt als een eer beschouwd. Ik vind het niet zo prettig, alles wat ik zeg wordt aan Louis B. overgebriefd, en aan haar minnaar. Louis B., Eric en haar minnaar zitten in de provincie, verdeeld in een ander stuk. Ik weet niet precies, of Louis B. de twee erg nodig had, maar hij houdt ervan, zijn vrouw af en toe te scheiden van haar minnaar, nou ja, en Eric moet er de minnaar in spelen. In de kleedkamer horen we het gedruis van de kermis, die er ook is. Jolante heeft de pest in, ze heeft het niet graag, dat haar minnaar zoveel alleen is met Louis B. Ze is humeurig, zit breeduit in haar broekje, maakt haar lippen rood. Aan de deur hangt een prachtig avondtoilet, ze zal het straks aandoen en als een amoureuze mannequin het toneel opschrijden. Lusteloos geeft ze af op het vak, dat rottoneel, zo’n voorstelling in de provincie, die stomme koppen in de zaal, weten ze veel, je gaat aan het toneel, je denkt dat je een Sarah Bernhardt bent, iedereen die aan het toneel gaat, denkt dat zij een Sarah Bernhardt is, nou van mij kan je wat, dat gereis, er is hier niet eens stromend water, heb je de plee gezien? Te vies om naar te kijken, dat rotstuk.