Toneel gaat altijd door. Het dagelijks leven is niets, vergeleken bij wat er achter het voetlicht iedere avond opnieuw, als een bevalling, een moeizame, uitbloedt over de wachtende gezichten in de zaal. Soms staat Louis B. voor de voorstelling en kijkt door het gaatje in het doek. Ik zal ze wel eens een poepje laten ruiken, zegt hij, als de onverschilüge gezichten in de zaal, gezapig naast elkaar, ‘uit’, onaangedaan met elkaar kletsend, ritselend met programma’s en snoepjes, met magere blote schouders in wel of niet mooie avondtoiletten, of gezichten boven colkragen, wat spichtig door intellectuele lusten, voor hem opdoemen uit het cirkeltje, dat hem verbindt met de zaal. Hij zal ze choqueren, hij zal ze engageren, hij is een groot acteur, hij broeit zijn sentimenten bedachtzaam uit in urenlange repetities, hij vindt weerklank bij zijn team, willige instrumenten afgestemd op hem, de dirigent. Hij brengt stukken over liefde, over politiek, over de roerselen in het hart van de burgerman. Wij hebben succes, de mensen komen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen. Hij spreekt iets aan, hij spreekt in allen iets aan. Hij heeft het niet door te geven geheim dàt hij het poepje kan laten ruiken. Hij is groot in allure, onbeschoft als hij eisen stelt ten bate van zijn gezelschap aan autoriteiten, terro