den. Zijn fraaie handen, die blauwe nagels hebben, want hij is een dode... Arme, teleurgestelde Pierrot.
Het miezerige gedoe van de echtscheiding gaat door. Als er een brief van zijn advocaat komt, raap ik die zuchtend op. Weer eindeloos gepraat, weer verontwaardiging om de zweep, die ze hanteert, je zal het weten, dat je met mij getrouwd ben geweest, ik breng je een striem toe, dat de bloedklodders eraf springen. Zou dat nu liefde betekenen? vraagt hij mij, met pijnlijke mond. Vrouwen reageren raar, zeg ik. Misschien is het wanhoop. Eigenlijk begrijp ik niets van die vrouw, niets van zulk soort vrouwen. Is er iets eigenzinniger dan liefde ? Iets eigenzinniger dan seks ? Is het ooit te grijpen, ooit gevangen te houden, ooit te richten? Het groeit uit zichzelf, ontbloeit uit zichzelf, sterft in zichzelf, verpulvert, waaiert weg in de wind. Ik heb dat altijd beseft, heb er altijd rekening mee gehouden. Zodra ik een man in mijn armen had dacht ik, het is geen eeuwigheid dat we samen zullen zijn. Al wil de maatschappij ons dat opdringen. Doordat ik me trainde dat te begrijpen, kwam de slag later minder hard aan. Als beloning school er de vernieuwing achter. Ik vind, je kunt beter tien maal wisselen dan tien jaar naast elkaar leven als vijanden, of versufte kameraden. Ik heb me er levenslang naar gedragen. Ik heb nooit spijt gehad. Ik heb mijn rechterhand soms afgehouwen, als hij me hinderde en van me af geworpen. Ik heb pijn gedaan, ik heb pijn geleden. Ik ben