erge last heeft van zijn seksualiteit. In zijn liefde is hij kort en hevig, als een haan. Hij is bezeten van zijn seksuele drang, als iets, wat hem afleidt van al het andere. Ik vraag hem naar zijn vrouw. Het is een intellectueel, zegt hij. In welk opzicht, vraag ik. Dan komt het merkwaardige verhaal, wat Foei, die de vrouw ook kent, mij later bevestigt. Drims vrouw houdt ervan om door de bossen te dwalen, of over het strand en dooie dieren te zoeken. Dooie vogels, dooie ratten, dooie vissen. Thuis kookt ze deze in een pan, verwijdert de huid, het vlees, en zet him geraamten op. (Foei heeft me verteld, hij kwam er eens op visite, toen was er een kamer vol geraamten. Foei had gezegd, als je me nou besodemietert, wat moet dat betekenen? Ze laat hem vol trots de geraamten zien, met de kaartjes waar ze de dooie beesten gevonden heeft.) Af en toe stinkt het bij Drim thuis door de gele stank van de gekookte cadavers. Ze snijdt ze open met het broodmes, vertelt Drim, kookt het dan uit, hangt het daarna aan de droogüjn, op de veranda. Drim is er door geïmponeerd, zijn vrouw doet aan wetenschappelijk onderzoek, het stinkt wel verschrikkelijk. Ik wil de image van zijn vrouw niet bederven, vraag voorzichtig of zij binding heeft aan een of andere wetenschappelijke instelüng, of een dergelijk contact. Drim zegt van nee. Hij is van huis uit een boerenzoon, het Intellect is iets waarvoor hij een bijna bijgelovig respect heeft. Zijn wereld is ingedeeld in vaste normen, als jonge kerel heeft hij bij de marine ge