Omdat ze eikaars wisseldiensten kennen komt Drim op een avond, dat hij denkt niet gestoord te worden bij zijn bezoek aan mij. Drim is een noorderling, hij is nuchter, zwijgt graag als hij niet hoeft te spreken. Foei en hij zijn vrienden op hetzelfde niveau, Jippy is voor hen een schertsfiguur, toch bewonderen ze hem, om zijn moed in liefdesaangelegenheden. Het is meer gebeurd, Jippy baant de weg, zij volgen. In wezen is het een rotstreek, dat Foei Jippy verraden heeft tegenover mij, dat is voor mij aanleiding Jippy juist vast te houden. Nu is Drim aan de beurt, ik zit naast hem op de divan, vraag, waarom hij eigenlijk zijn vrouw bedriegen wil. Ik ben nooit trouw geweest, zegt Drim, maar ik zou nooit scheiden. Daar vraagt niemand je toch om, zeg ik. Jij niet, maar vele vrouwen wel. Ze sturen er graag op aan. Ik heb geen salaris om te scheiden. Wil mijn huis ook niet verlaten... Dat valt me op, deze mannen zijn enorm gehecht aan hun huis. Krijg de indruk zelfs nog meer dan aan de vrouwen. Het huis is statussymbool, waaraan eindeloos getimmerd, geverfd en behangen wordt door hen. Als het tussen Foei en mij na enige tijd nogal innig wordt, er vaag wordt gerept over samenwonen zegt hij niet: ik ga niet van mijn vrouw weg, hij zegt: maar ik ga mijn huis niet uit... Drim zegt, dat hij