Een avond later komt Drim. Jippy komt ook, ongerust, hij wordt kwaad als hij Drim bij mij ziet, op zijn manier reageert hij fors. Hij komt in de keuken, zegt tegen mij als ik eieren bak, ik neem hem straks mee, en dan kom ik terug. Ik schenk een neutje, om de stemming erin te brengen, ze zijn alle twee kwaad, Drim omdat Jippy er is, Jippy omdat Drim er is. Het uit zich door hatelijkheden aan eikaars adres, Jippy wordt er klein door, hij laat het voortdurend afweten, als hij door zijn vriend wordt aangevallen. Het wordt elf uur, ze zijn tamelijk dronken, Jippy zegt, ik ga weg, ga je mee Drim. Drim kijkt mij aan, ik zet een volkomen ondoorgrondelijk gezicht, ze moeten zelf weten wat ze doen. Jippy krijgt zijn zin, hij heeft nu werkelijk kans gezien onverzettelijk te lijken, Drim doet zijn uniformpet op, ze gaan beiden weg. Ik ga naar de keuken, was de borden af, hoor daarna een kabaal in mijn straatje, mijn raam staat open, ik kijk eruit. Voor de deur staan Jippy en Drim, Jippy is teruggekomen, maar Drim ook. Daarop heeft Jippy niet gerekend, en Drim trouwens ook niet, daas staan ze tegenover elkaar. Ik hang uit het raam, benieuwd hoe het afloopt. Jippy staat te schelden, Drim pest. Ze zijn op handgemeen af, ik kijk toe. Buren hangen uit het raam. Drim is de eerste die dat ziet en bindt in.