ters, die boven mijn bed blijven flonkeren, tijdens de roes van de coïtus. Zonder veel te hoeven nadenken, begrijp ik, dat deze man impotent is, omdat hij te klein geschapen werd, dat deze mens het niet aan kan, dat anders zijn, en dat niemand hem heeft geholpen. Er gebeurt iets eigenaardigs met mij, ik bloei van binnen warm open, als een bloem bij kunstlicht, besef, dat ik Foei moet koesteren, bijstaan, genezen. Ik geloof, dat dit liefde was, niet liefde van man tot vrouw, of omgekeerd, maar liefde van mens tot mens, de echte, grote vriendschap. Misschien het allerhoogste. Ik neem hem in mijn armen, kus zijn gezicht, zijn borsten, zijn lichaam, en neem hem met mijn mond...