woninkjesbewoner, je gaat meesabbelen aan de ruif van nette burger, je wordt ingekapseld. Ze hebben, zoals ze daar zitten met zijn drieën aan de bar, de pest aan politiek, in hun puberperiode zijn ze er de dupe van geweest, van mij kan je wat, ik ben blij, dat ik rust heb. Trouwens allemaal een pot nat, als ze boven zitten, kunnen wij doodvallen, vertel me wat, ik ken de heren, ze komen vaak in het bedrijf, ze zijn nog te beroerd om je te groeten, waarschijnlijk kunnen ze nauwelijks op de manometer kijken, ze kijken alleen naar de beurs. Na diensttijd, wegzeulen in herinneringen van vroeger, van vrouwen, een snufje vrijheid, waar de vrouw niets van hoeft te weten, anders neemt ze je dat nog af, ze heeft al genoeg, mijn poen, mijn werkkracht, het huis waarvan ik de huur betaal, de koters, die ik bij haar verwekte, de verzekerde toekomst, als ik wijlen ben, want dan krijgt ze haar pensioen...
Jippy schept op over vrouwen, hij voelt zich wat klein bij Foei, Foei is scherpzinnig, heeft de lachers op zijn hand als het erop aan komt, de collega’s vinden hem een fijne vent. Drim en hij zijn vrienden, Drim houdt zich op de vlakte, valt Foei graag bij, als hij het juiste moment gekomen acht. Ze zitten Jippy te voeren, elk van zijn verhalen overtroeven ze met glorie, er is veel gefantaseer bij, Foei en Drim gi inniken stiekum tegen elkaar. Dan kan Jippy het niet laten, mijn naam valt, ze kennen mij alle twee uit de krant, van foto’s, van radio. Foei gelooft er geen pest van, iemand als ik zou be-