geerte in hem had gewekt. Zijn tragiek was, dat hij de mannelijke jaagdrift paarde aan de vrouwelijke horigheid. Daarbij had hij een zwak voor wat hij noemde jonge, misdadige smoelen, dat wond hem op, hij kon van alles doen om een geldjongen, die het erop aanstuurde, te veroveren. Daar hij sterk masochistisch was, leed hij, als de jongen op zijn portefeuille teerde, en vond dat lijden prettig. Zelfs in de liefde lijden is fijn, zei hij. Waarmee ik het niet eens was, bij onlustgevoelens neem ik zo mogelijk de eerste trein. Daarbij leefde in hem de eeuwig-heidsgedachte, hij trachtte zijn jongens aan zich te binden met dure eden, gezworen op het portret van de graaf de Saint Germain, de occultist, waarvan Cagliostro zijn mystieke opleiding kreeg. Dit portret legde hij midden op tafel, zei wat bezweringen op uit heksensabbatten, die hij in boeken had gevonden, want hij noemde zich een heksenmeester, een gevallen engel, een ingewijde. Het duivelsym-bool hield hem vast, hij had in Engeland allerlei boeken over heksen en hun gedragingen besteld, ontleedde hun getallensymboliek, en bestudeerde hun plechtigheden, om ze in de praktijk van zijn dagelijkse leven om te zetten, waardoor hij een sfeer van geheimzinnigheid kreeg, die mij ook boeide. Hij hield zijn hersens heel koel, zijn portefeuille ging nooit al te ver open, feitelijk was hij een zuinige Hollander, daar bracht niemand hem van af. Hij geloofde onomwonden in de graaf de Saint Germain, waarvan het verhaal gaat, dat hij nooit ge