ven, hij beschouwde dat als zijn recht. Hij heeft eens tegen mij gezegd, dat hij hierdoor vroeg zou sterven, hij heeft gelijk gehad. Toen ik de wetten van de Koran las, merkte ik, dat zij van het standpunt uitgaan, dat een vrouw geen ziel heeft. Ik maakte daar Aart opmerkzaam op, waarop hij zei : een ziel ? heb ik een ziel? Wat is toch die ziel? Persoonlijk voelde ik me echter zeer beledigd, dat een man iets zou hebben, wat ik niet bezat, en dat dus in hun voordeel was. Alhoewel ik zelf niet weet wat eigenlijk die ziel inhoudt, bleef ik er boos over, en trok me terug van de missie. Afgezien daarvan heb ik van binnen een brullende, schreeuwende, gele, peinzende, ontledende Aanwezigheid, die ik mijn ziel zou willen noemen. Door het vele drinken raakte Aart ook van de missie af.
Fred wilde zich ook ergens indelen in deze maatschappij, dus speelde hij de rol van de levendige vrijgezel, die uit louter wulpsheid en vele contacten met vrouwen, niet trouwt. Ik was het symbool van zijn wulpsheid, ik liet het in godsnaam maar toe, ik vond hem veel te aardig om hem te kwetsen. Als ik met hem uitging omringde hij mij met niet mannelijke hoffelijkheid, want hij had een vage voorstelling hoe een man een vrouw behandelt. In het theater, in de foyer, in het restaurant werd hij een buigende musketier, zwaaide nederig met zijn hoed, knielde bijna voor me, bestelde de duurste etentjes, de zaligste ijsjes, en zat laveloos van drift van onze tafel naar een jong matroosje te kijken, dat de be-