Ik liet hem praten, trok me hoe langer hoe meer in mijn eigen leven terug. Ik ben een minnares, ik hou van de mannen, van de liefde, van de coïtus, als hoogste belevenis. Ik voel er niets voor om te folteren, als een man dat eist. Integendeel, dan scheiden zich de seksuele wegen. Ik wil niet geslagen worden, en niet slaan. Ik houd van het zoete, het tedere, het esthetische. Toch ben ik ook wel weer zover masochiste, dat het teder bijten uit liefde me bekoort. Maar dat is dan ook de grens.
Omdat ik niet meer op te winden was, keerde hij zich tenslotte van me af. Na de oorlog scheidden we. Hij trouwde voor de tweede keer. De nieuwe vrouw kon het helemaal niet aan. Op een dag belde ze me op, of ik tegen hem getuigen wilde, in verband met haar echtscheiding. Ik zei: mevrouw, ik heb voor mij zelf niet eens de moeite gedaan om naar het gerechtsgebouw te gaan. Waarom zou ik het dan voor uw echtscheiding doen? Hij ging naar Indonesië als leraar, kwam terug met een daar opgedane leverziekte en stierf.