zijn vrolijk, dank zij een fiks neutje, buiten dreunen groene wagens langs, met gevaarlijke groen-hoedjes, er is luchtalarm, in alle ogen zie ik een flits van angst, maar de koster smijt er gauw een neutje tegenaan, en schoonvader maakt een geilige opmerking over de bruidsnacht, die straks komen zal, voor Stien en haar man.
We gaan eten, misselijk veel eten, eerst leest opa uit de bijbel, iets van God, die kwaad op ons wordt, over de zonde, die overal schuilt, in onmatigheid, in zedeloosheid, in wulpsheid, in naakt, in bed, in vrouwen, in mannen, in de stad, op het land, in de schouwburg, in de bioscoop. We mogen de vrouw (man) van de ander niet begeren, we mogen elkaar eigenlijk ook niet begeren, we moeten met gesloten ogen, met tot de wangen toegeknoopte japonnen door het leven gaan, met handschoenen en met zilveren knippen dichtgesloten gebedenboeken, op weg naar de kerk. Vanwege de geheime, zeer gevaarlijke lusten mogen we daar niet naast de mannen zitten. In bed moet je niet begrijpen wat er gebeurt als je man klaarkomt, je mag er niet naar kijken, het is treurig, dat je je onderlijf bloot moet maken, als hij erin wil...
Ik ga met Aart terug naar Amsterdam, misselijk van de jenever, het vette, ongewone eten, het ronddraaien met de reut in het feestgedruis van de harmonica, ik kwijl van lodderigheid tegen Aart aan, in de trein krijg ik een soort kinkhoest, braak alles eruit, we leunen verzakt tegen elkaar aan.