best, weer een uur voorbij. Pa is ingetogen teut, zijn wilde haren zijn uitgevallen, in de kroeg komt hij niet meer, thuis een neutje, dat is alles, en hou nou op, Pa, je weet wat we afgesproken hebben. Toch is Pa, de trambestuurder, een beste vent, hij mag me wel, ik hem ook, hij heeft zijn tol aan het menszijn bewust betaald, toen hij jong was, hij onderkent het vrouwentype dat ik ben, hij vindt me zo gek niet, hij kan Aart wel begrijpen, Aart zal een ander leven hebben dan hij, met de zeven kinderen, de boerendochter, de grote teilen met was in de keuken, de glimmende, zweterige vrouw met de opgestroopte mouwen, het schort met de vetvlekken. Aart zal misschien in de toekomst meer verdienen dan hij, de trambestuurder, het zit er wel in, nu is het oorlog, nou moet je blij zijn als je een mok echte koffie krijgt, maar als de oorlog voorbij is, dan heeft die jongen wel kansen, en die vrouw heeft ook wel koppetje.
We gaan ook naar de bruiloft van Stien, Aarts zuster. Ze trouwt met de zoon van de koster, het feest is in de kerk, en in een gebouwtje, ernaast. Aart wil ernaar toe, vanwege het eten. Het eten komt van het boerenland, tafels vol, ik weet niet wat ik zie, in geen jaren heb ik zoveel eten bij elkaar gezien, lijkt me. Een lollig gezelschap, we hossen door het lokaal, feestneuzen, guirlandes, onze handen op de schouders van wie voor ons loopt, en dat we toffe jongens zijn dat willen we weten, en hoepe-lepoep zit op de stoep, laat ons vrolijk wezen, we