Da steht nun einer fast unterm Galgen Der Kalk ist schon gekauft, ihn einzukalken, Sein Leben hängt an einem brüchigen Fädchen, Und was hat er im Kopf, der Bursche? Mädchen. (Brecht)
Ik heb in het leven altijd een onnoemelijk plezier gehad. De gedifferentieerde verschijnselen, die naar mij toe gekomen zijn, hebben me uitermate geboeid en vermaakt. Ik heb wat afgelachen, als ik de zaak op de keper beschouwde. Ik heb wat afgelachen, als ik, over mijn vrienden de mannen, nadacht, wanneer ik tot het inzicht was gekomen, dat mijn driften waren weggeëbd in beschouwelijkheid. Want je wordt er middenin gehusseld, als een flodder papier in een draaikolk, in dat leven, je rolt, tolt, je keert, je komt boven, tuimelt naar onder, hapt adem omdat je bijna stikt, langer of korter, tot je weer op de schuimkoppen gaat drijven, met wijd-uitgespreide armen, terwijl de zon zoet brandt, op je nog wat verhitte glimmematte huid. Alle vrouwen, die rondlopen in de vaste overtuiging, dat zij de dupe werden van de man, omdat hij van ze heenging, terwijl ze zelf nog brandden van de seksdrift, of van de bezitsdrift, of van de centendrift moeten proberen mijn verdediging van de man beschouwelijk te aanvaarden, want ik heb de Klorissen om mij heen, die van mij waren en die van anderen waren