vaard, hoewel met enige tegenzin, wat kwam omdat ze eigenlijk haar zoon aan niemand gunde. Toch was ze beleefd genoeg om het mij niet al te zeer te laten merken. Wel had ze, op een avond toen Aart en ik de laatste trein voor Amsterdam niet konden halen, geweigerd ons onderdak te verlenen. Mijn zoon slaapt niet met een vrouw onder mijn dak, zei ze. Dat het zijn wettige vrouw was, interesseerde haar, op haar wijze, minder. Wel mochten we iedere zondag bij haar komen, dan zaten we met zijn allen om de tafel, grote familie, soms nog met wat neven en nichten, in zondagse kleren, voor zover we die hadden, er mompelde een doelloos gesprek, met nauwelijks achtergrond of gerichtheid, bedoeld om een bedremmelde stilte te verbreken. Ik heb dat in arbeiderskringen vaak meegemaakt, dan is er de behoefte, of de gewoonte, om bij elkaar te komen, men zit wat onwennig om de tafel, kijkt naar elkaar, er is iets over het weer, over de nieuwe jurk van Toos. Een enkele keer wordt de toestand iets rooskleuriger als het over die van de overkant gaat, die hokt met een vent, of over Lien, die heeft nu verkering, maar de vent is werkeloos, hoe moet dat nu, je kunt toch niet leven van de wind ?
Als dat allemaal besproken is was het een gezellige middag, mens, we hebben wat afgepraat, Stien weet verhalen van haar straat, je lacht je ongelukkig. Heel dikwijls komen we aan de verhalen niet toe, blijven we dreinen achter de koffie, later worden we allemaal wakker, want we gaan eten, moeder kookt