het verbreken van de eenzaamheid, dat is geen hartstocht, dat noem ik liefde, liefde tot elkaar, binding tot elkaar om je te helpen, om je te helpen vergeten, je bent niet meer alleen, je gaat trillend op in een ander. Ik kijk ernaar, beleef het zelf op koude, vochtige grond van een kelder, op jengeüg plankengekners op een zolder, tussen muffe, oude stoelgeraamten in een schuur. We hebben honderden orgieën, wel soms ook met een vlot litertje jajem, ergens gebietst, ergens verdiend. We lachen ons rot, we grinniken wat tranen weg, er wordt sperma gespuid en de melk vloeit in onze vagina. We staan buiten iedere wet, we zijn weggestuurd langs alle wetten in een land van niet-vermoede vrijheid. Weg is het wetboek, we lachen ons krom om artikel zo en zoveel. Naast mij liggen twee homofielen. Ook hierbij moet ik aan vogels denken. Vanuit mijn raam zag ik vaak zo paren, op de rand van het balkon, of in de goot. Wij hebben de seks erkend als deel van onszelf, als deel van ons allen. We zijn een ruige, dolgedraaide troep, we voelen ons er best bij. We weten meer dan anderen, we doen meer dan anderen, we zien alles, een pornografisch blaadje is om je rot te lachen, wat een charlatanerie, je moet durven leven, je wordt bevrijd, je wordt helemaal mens, en daar gaat het toch om. Eigenaardig is, dat ik niet zwanger word. Het lichaam is ondervoed, het bloed stolt niet in de aderen, de eierstok is lusteloos, stoot fel de eitjes af. Van dit alles heb ik later geen spijt gehad, geen