wèl de consequentie van de ondergang heftig beleven, zodat men ons daar voor een nacht, voor een paar uur onderdak verleent. Troep uitgestotenen, die aan elkaar verbonden zijn met het weemoedig weten dat elke dag de laatste kan zijn, elk genot het laatste kan zijn, elke drift de laatste kan zijn, want de groenhoedjes liggen overal op de loer, hebben overal hun verraders, snakken naar doden. We zijn de communes van de weggedrongen wanhoop, we liggen op de grond naast elkaar in vreemde kamers, in schuren, op zolders, in kelders. We grijpen naar elkaar bezeten van afleiding. Dat van de Geest haal je in het concertgebouw, haal je in geheime bijeenkomsten, waar verboden boeken worden gelezen, nee, beleden, als eigen echt leven, wat niets te maken heeft met de bloedbezeten groenhoedjes. Dat van het Lichaam leeft ’s nachts bij de wanhoop-communes, in het niet gekende onderkomen, met als vaag geluid de trip-trap stappen van de dood-jagers, in de verte, buiten in de straat.
Ik heb er bij het walmend olielichtje naar liggen kijken, naar de coïtus van de anderen. Ik, de vrouw van het luxebed, de geraffineerde parfumverleiders, de zijden hemden, het borrelende bad van geur-orgieën, ik, de vrouw, die de coïtus voorbereidde als een goddelijke plechtigheid, met kaarsen, spiegels, bloemen, tederheden, de sensibel wachtende mond, de vibrerende vagina, met gebaren van berekening en niet te dirigeren overgave, keek naar de paren om mij heen. Zij hebben gescheurde kleren,