toch seks? Een geur? Een zoete walm, die door je huid, langs je leden, naar binnen in je innigste zelf trekt ? Een vinnige, besmettelijke greep, die je voor dagen, weken, maanden, jaren, altijd, vloeren zal? De vuist in je nek? Of het wapperen van zoete vleugels, die over je heenstrijken, als zijden waaiers van een fee? Wat is het? Een ding is zeker, het is niette weerstaan, het is noodzaak, het is natuur, het is teeltkeus, het is orgie.
Het is de ene keer intenser van de andere, dit keer is het weer raak, het wordt weer de binding, waaraan je ontvluchten wil om je persoonlijkheid veilig te stellen, waar je je in verwarren zal als de happende vis in het neergelaten net, waaraan je je schoppend met je benen, tegelijkertijd vastklemmen zult.
Ik heb een woelige tijd achter de rug. Als ik vrij was van mijn werk zwierf ik samen met de vogelvrijen, leefde in een leven, waar de gewone burger zich nauwelijks een voorstelling van kan maken. Het is mal, dat in een tijd, waarin Hollanders gevangen werden genomen, gemarteld, weggevoerd, vergast, verminkt, doodgehongerd, in Holland nog de gewone burger vegeteerde achter de tulen gordijntjes, bezorgd en gedreven door schoonmaak-instincten, het kloppen van de lopers, het schoonwrijven van de stoep. Ze zien niet, ze willen niet zien, het burgermansfatsoen is sterker dan de laaiende vernielingsdrift om hen heen. Ze weten niet, dat wij als een troep verjaagde vogels neerstrijken in huizen, waar men wel van ons afweet, bij mensen, die