zoals ik denk dat goed is. Leven is een periode, groenhoedjes hebben geen recht dat te beperken. Leven is vervloekt, vervloekt heilig, dat van mij, en dat van de anderen. Je zal het de groenhoedjes van alle landen moeten bijbrengen, het zit er nog altijd niet geheid in. Buiten giert luchtalarm, het technische geweld van beschavingsondergang. Binnen zitten de musici op het podium, in rok. De dirigent tikt aan. Zal er een bom op het Concertgebouw vallen? Zullen we verflenst, verscheurd, verminkt, bloedend tussen puin, krimpen binnen enkele minuten? Wij weten allen, dat het mogelijk is. Wij kijken elkaar zelfs niet aan. De musici heffen hun strijkstok. Toch zien we waarschijnlijk allen in gedachten onze vermorzelde lichamen. Bach vloeit over ons uit. Daaraan vasthouden. Dat is het. Klem je eraan vast, met je gedachten. Er staat iets ver boven ons triest gewurm van dit uur. Muziek. De geest, het ongrijpbare, het onbeschrijfelijke. Buiten klinkt het sein, dat de vliegers met de bommen vertrokken zijn. Dan is onze overgave volkomen gaaf. We glijden weg in de schoonheid.
Toen ik Arthur dus in de pauze ontmoette vond ik hem op Gustav Mahler lijken. De afgeronde montuur boven een sterke neus. Ogen, die boven het gedoe uit kijken, donker, waarvan ik hou, wat is het toch, dat je een kleur van haar, van huid, van ogen, in je zelf voelt ? Wat is het dat een vrouwtjesvlinder, die verborgen in de zak van een colbertjasje kilometers ver de mannetjes vlinder aantrekt? Wat is