Op een concert ontmoet ik Arthur, in gezelschap van een bevriende journalist. Volgens de bezetter mag ik niet naar een concert. Ik lap het aan mijn laars, ik wil de binding met muziek, het is, alsof die mij terughaalt in mijn oude wereld, waar ik thuis hoor, de wereld van bezieldheid, licht, zaal met mensen, die gebonden schijnen door mijn droom van schoonheidsvervulling. Buiten hangt een affiche van de stadsschouwburg, Eric Wells als Romeo. Ik ben huishoudster. Hoe kan in zo korte tijd je toekomst, je verleden, je heden ineenschrompelen tot lege blubber, schuimblubber als van het strand, met brokjes wegstuivend in het niets. Toch heb ik geen spijt dat ik van hem wegging. Geen bleke kindergezichtjes om een tafel omdat Pa en Moe diepin vergaan van wrok tegenover elkaar. Ik lijd er meer onder dat ik mijn eigen werk niet kan doen, niet mag doen, van de groenhoedjes. Wat heb ik met ze te maken, ik ken ze niet, zij kennen mij niet, zij haten mij toch, vanwege mijn ras, beperkte zieltjes, aan wie het exacte doordenken verboden is, en die zich beperken tot wat stompzinnige slogans. Haat ik ze? Nee. Ik laat me niet de duistere gitzwarte hel van de haat indrijven, ik zal ze op hun vingers tikken waar ik kan en voor de rest kunnen ze barsten. Ik ben niet genegen een onderwereld te erkennen. Ik ga naar een concert als ik wil, ik leef